Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JORIS LUBBERTSZ STRUIF. 31

Én echter, had zich flechts één van hunne achtcrneeven, Genoopt door 't wuft geval, ter hoogc fchool begeeven, Ligt waar' hun nagedacht tot hoogen roem geraakt; Zy hadden zich niet flechts een' naam in Us gemaakt, Maar't krielde nu misl'chien , wyl 't fpoorzich ligt laat baancn, Van Halziaanen, en van EUeboogiaanen.

Ziedaar der Usfen bron en hun gefchiedenis, Geleerde en braave struif; en fehoon ze, als blykbaar is , Veel dwaasheid, ydelheid, en waan te kennen gecveu, Het voegt u echter naar een' grootfehen Us te ftrcevcn. 't Is wysheid zich, ook zelfs in 't merk van onverftand, Te fchikken naar den finaak , de zwakheid van zyn land : 't Is wysheid, in den kring van ligtverblinde gekken , Ons voordeel uit hunn' waan, hun zot begrip tc trekken. Wel, word dan Struiv'.iLS, myn vriend! voorkom dc blaam,' Die u te duchten ftaat om uw' verachten naam; En win den eerbied, win het onbepaald vertrouwen Van allen, die een' Us met diep ontzag befchouwen! Verzuim geen oogenblik: de eer wil dat ge u zult fpoeiit Of aarzelt gy misfehien om deczeu (tap te doen,

Naar*

Sluiten