Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

32 AAN D È N II E E R Ê

Naardien men in dceze eeuw, min dwaas dan wel te voorerf, Verwaande fnorkery, zo 't fchynt, heeft afgezworen; Pedantery veracht, met all' haar' fchoolfchcn ftoet; En een' nieuwbakken Us niet dan zeer fchaars ontmoet? Verban dien fchroom, en tracht myn' yver niet te blusfchen. Gy dwaalt, als ge onbedacht den ftiindren groei der Usfen, Waardoor men in deez' tyd zo weinig nieuwen telt, ■Op reckning van verftand en nedrig oordeel ftelt. liet is, uit onmagt, by gebrek van penbedryveu, Alleen aan 't misfen van geleerdheid toe tefchryven, Geenszins aan bctren fmaak, aan minder zotten waan, Dat onder ons zo fchaars nieuwe Usfen meer ontdaan. Want fehoon veelc Usfen Hechts pedantery vertoonen, Daar ze echter nerfcis zyn, die letterhelden kroonen ,

Zo fielt hun mangel, nu men zeldzaam nieuwen fticht, •Verval van ftudie en geleerdheid klaar in 't licht, 't Is gantsch niet ongerymd dit vreemd bcfluit te trekken: De waarheid laat zich ook uit kleinigheên ontdekken. De proef gaat vast, myn vriend: geleerdheid bloeit of kwynt, Naarmaate een achtbaare Us, of mild, of fchaars, verfchynt.

Hoe

Sluiten