Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DEN HEERE VAN J * * *. 39

En wierd daardoor weleer ons Neerland vrygeftreden , 't Roest thans in 's pronkers fchedc. o Tyden ! wufte zeden !

Gy , braavc held, door de eer gevormd voor't krygsgebied, Die op 't ontheiligd ftaal verachtend nederzict, Als dwaasheid door die praal poogt achting af tc pragchen; Hoe moet uw grootheid niet der menfehen waanbelagchen! Ja, lagch, myn vriend! ontfrons vry 't eniftig aangezigt: 'k Zal met u lagchen in myn fchertfend hekeldicht; 't Lust my,tot fchandc en fchimp van Momus drieste zoonen , 't Befpotlyk misbruik van den degen aan tc toonen.

Hoewel het ftaal vooral, en met het grootfte recht, Aan dc cedle waardigheid des krygsmans is gehecht; 't Voegt ook den adel, by zyn wapens en kwartieren , Met dc oude heldenkling zich wettiglyk te fleren: Die Hand, indien hy niet van zyncn rang ontaart, Is cu den roem en 't merk der braavcn dubbel waard'; En 't waarc onbillykheid betwistten wy den degen Aan hen die , door hunn' ftam , eene erflyke eer verkreegen, Ook is het welgegrond dat Achtbaarheid, die 't roer Van land of ftad regeert, den fleren degen voer';

C 4 Dat

Sluiten