Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C *3 )

Natuur fpreidt ons, in 't groen fluweel, Een rozenbecije. De orgelkeel

Der fchelle nachtegalen Vermengt zich met ons mingekoos; liet zoele windje is ademloos;

Of ruischt in andre dalen. Waerom loert gij door dichte blaên? Latonaes Telg ! wiltge ons verraên?

Wat doet u ous befpieden ? Indien uw fchijnfel ons beklapp', En 't heidendom ons hier betrapp',

Waerheen dr.n best te vlieden ? Zoo 't geile faterdom verfcheen', Wat dan ?... Ik bid, Iaet ons alleen!

Laet mij mijn lief verwarmen, Gij floot, al zijt gij heden koud, Endymiön in Latmus woud,

Ook in uw klemmende armen:

Want, zooge, o Maen! uw blank gezigt

Nog langer op dees paedjes richt, B 4

Sluiten