Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i» DE WINDEN.

Uit de koude noorderhoeken

voert hij, langs de hemelbaan j> Nuttige falpeterdcelen

in de vlokjes fnceuw ons aan; Of hij blaast, van zuiderftreeken,

zachter adem uit zijn' mond; Teedre kruidjes , grasjes, bloemtjes

fpruiten tierig uit den grond; En men kan uw' invloed merken,

In de groeijing van 't geboomt'j Als men ziet hoe ieder takje

vol met zwangre knopjes koomt, En die zwangre knopjes weder,

in het baarend meilaizoen, Duizenden verfcheiden bladen

vormen tot verfchillend groert. Peer- en appelboom zou kwijnen,

hieldtge, o Wind! u altoos ftil: Maar gevoelen zij uw werking,

Door 't beftuur van 'sllougften wil, Dan ftuwt gij de levenslappen,

waar de voedfelftof behoort;

En

Sluiten