Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET GRAF.

'Gij, mijn ziel! (la met opmerking3 Tot uw heilgeloofsverfterking , Op dit leesbaer fchrift uw oog; En verhef u naar om hoog. „ Gij, gij weet het, God zal zorgen, „ Dat die doón, ten jongden morgen 5 ,, Weêr in 't leven zijn gebragt, „ Door des Heilands wonderkragt.—^

Ook in dceze graffpelonken Zijn mijn vrienden neergezonken: Niemand van hun ken ik meer:

Zij, beroofd van waercldfche eerl

Zij, in 't leven mij van Waardel

Keerden hier tot ftof der aarde.

Dierbaar ftof van meenig' vrind}

Ouders, een en ander kind,

Asch van mijn geftorveri gade,

'k Zie hoe gij, door worm en made5

Wordt verteerd én overdekt;

Daar gij mij ten leerbecld ftrekt,

En in deeze groev' moet fchuilen 3'

Schïjntge, uit deeze doukrc kuilen?

Ons te melden uw geval;

't Zegt mij wat ik worden zal»

D 4 8

Sluiten