Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6"4 HET GRAF.

Moesten zij met 's levens rampen , In de tegenfpoedcn, kampen; Werden zij op 't felst beftrcên; Ging de fmart door vleesch en been; Dan nog kon hun heilvertrouwen Zich aan Gods beloften houên: m 'k Weet dat mijn Verlosfer leeft, „ Die mijn ziel verzeckring geelt, m Dat ik , fchoon de worm en maden if Zich al met mijn vleesch verzaden , 3, Weêr verheerlijkt op zal ftaan, „ Om mijn oog op Hem te (laan, „ In het eeuwig zalig leven: „ Moet mijn geest mij dan begeven, „ Als het graf mijn lijf verflijt, „ Wel het is flechts voor een' tijd. „ Mijn getrouwe God zal zorgen,

Dat het weêr, ten jongften morgen, „ Door des Hcilands wonderkragt

„ In het leven word' gebragt.

o! Wat ftaat der heerlijkheden ■ Wacht Gods kernvolk hier beneden, Daar 't zijn hoop op Jezus bouwt, En zich aan Hem toevertrouwt,

Dat

Sluiten