Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE EEUWIGHEID. 91

Mijn Hoofd, mijn Heer, o Bron van goedheid!

Wat zal ik IJ, watU, mijn God! Vergelden voor dit man' van zoetheid,

Dees heerlijkheid, vol heilgenot; Dit ecuwig voor uw troon te zweeven,

En met, uw volheid overftort, Om U te loven, lieven, leven!

0! De eeuwigheid is fchier te kort. Wat kennis aan uw Wonderweezen!

0 Diepte der verborgenheid! Uw éénheid, hierin drie te leezen ,

U drie in één, o Majefteit! Hier toont ge U, zoo als ge U verklaarde, In uw gegcevcn woord, op aarde.

O Lief-

Zij

dringt dieper in de kennis der H. Drieéén • heid.

Het oogmerk zijner

Menschwording.

Des Vaders goedheid! Gij, o Zoon, Des Eeuwigen! in 't vleesch gebooren ,

Och! waarom kwaamt gij van uw' troon-? Om mij, die anders was verboren,

Den minften in uw rijksgebied, Een aardworm, vloekling, (lijk en asfehen,

Een fqpje, een ftofje, een zondig niet, In ftroomen van uw bloed te wasfehen,

Waarmee aan Gods geregtigheid Den vollen zoenprijs nu betaald is,

En op het boek dier Majefteit De fchuld der zonden door gehaald is.

Wel, och! uw liefde, uw zondaarsmin

Hier zijn geen woorden ....! 'kfmelt hier in. —

Sluiten