Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE EEUWIGHEID, 99

O Zaligheid ! en welk een glans, Wat fchitterglöed, aan alle kanten ,

Verfpreidt zich hier van trans tot trans , Ih deeze ftad van diamanten!

De ftraatcn zijri hier zuiver goud , En all' de poorten en de muuren

Van 't èelst gefteente faamgebouwd ; Om door al de eeuwigheid te duuren.

Hier, hier behoeft geen gouden zon, Geen zilvren maan, heur licht te ipreiêri: _ Neen, hier is aller lichten Bron, Die, bij heur licht, haer volk zal leien

Aan beeken van heur Heilgenaè,

Die ruisfchcn als de Siloa.

In de Cods-ftaè

Vol van

heerlijk* heid en luister}

Dit'is de ftad van U, mtjri Koning;

Het bovenhemelsch Heiligdom , Jerufalcm , de fchoonfte wooning :

Hoe blinkt haar heerlijkheid alöm ! b Zalig licht der eeuwigheden !

Hier is de vroome Burgerij, Gedoscht ih witte ftaatlïekleeden ,

Geduurig U, hun Vorst, nabij, Met duizend Englen uwer kra'gten ,

En duizendmaal tien duizendmaal Van Cherubs, Serafs, Legermagten.

Wat fpreeken zij ? de hemeltaal, Een taal, die nimmer menfchen ooren In 't ondermaanfche kunnen hooren,

G ü è' Zé*

Sluiten