Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

io6 BI IJ N E ELLENDE.

De dood! maar is het die alleen ?

Neen, mijn bedroefde ziel, och neen!

Gij blijft, veroordeeld, met de volken.

Die, in de vuur-eu zwavclkolkcn ,

Gods vriendelijke Majefteit,

Nu misfen in der eeuwigheid ;

Daal" geen genadezon heur ftraaien

Doet in dien afgrond nederdaalen.—

o, Diep vervallcnjammcrftaat

Waar in ik lig! — mijn ziel, wat raad ? —•

'k Ben radeloos , ik koom te fpadc,

En vrees Gods wreekende ongenade,

Want die hebbe ik reeds lang verdiend*

Och , wierd mij God nog rot een' vriend l

Hij heeft zijn heil mij aangekondigd.

Maar, ach! ik heb dat weggezondigd

Mijn ziel, gij zegt, Gods aangezigt Zal ik nu zoeken in den pligt, Zoo veel ik kan, de Wet betrachten, En 't heil van zijn genade wachten, De deugd, dat iicrfel van den mcnschs Stel ik ten doelwit van mijn' wensch; Ik zal zijn. Goedheid crnfiig fmeeken, Ea ftortcn traaneu, onder 't fpreeke^;

Zou

Sluiten