Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

io8 M IJ N E E L L E N D E.

Op heiligen, in deugd vermaard,

't Zij ;n den hemel, of op de aard:

Och, mijne ziel' geen één van deezen

Kan vour u ter verlosling weezen ;

En zelf kunt Gij uw hcilrantfoen ,

Aan G.Ju, uw' Regtcr , niet \-oldoeul

Daar-ge alles zijt aan Hem verfchuldigda

Hebt gij uw kwaad vermeenigdvuldigd. —

o Biepvervallen janunerftaat,

Waar in ik lig ! — mijn ziel, wat raad? —.

Wat. raad, voorn, die, vol ellenden,

ü nergens hecnen weet te wenden ,

Daar al 't voorouderlijke c.rf,

Niets is dan zeilde en dan beder.f[

Die uit twee vuile bronnen wellen ,

En, bij aanhoudendheid, u kwel'::;:

Nu vloeit de bron van eigenmin ,

Dan die van hoogmoed bij u h\;

Terwijl uw zinnen en gedachten

Geen liclde tot de deugd betrachten^

Maar zich met ijdclhedcn vcên,

En haasten om "net kwaad te doen,

Waarmeê ze God op 't hoogfte ontecren»»

Zijn vaderjefde van u keeren,

Zij

Sluiten