Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

122 DRIE DAGEN

En fclioon van ligcbaams leest, in juist gevormde leën , Geen zweem vertoonde van de minfte ftrijdigheên.

Koe heerlijk was uw ftaat, verheven Echtelingen, Eerstlieyend Ouderpaar, wat hadtge al zegeningen, Een kloek en fijn vernuft, vlug oordeel, fcherp verfland, Het heir der Schepfelen ftond onder uwe hand Geplaatst in 't lustrijke oord, waar vier Rivieren ruischten, En zachte winden door het loof der boomen fuistcn, Kwam al het vee tot U, keurde U zijn hulde waard, Terwijl Gij ieder dier benoemdet naar zijn' aart, Slocgt Gij het oog daarop, of de Aarde of Hemelbogen, In alles poogdet Gij uw' Schepper te verhoogen, Zijn Goedheid gaf aan U van alles 't vol genot; Naar dat uw ftand toen was, uw zaligheid was God ; Zijn Englen zagen U in uw verheven waarde. Haar Gij als Koning waart verheven hier op aarde, Waar Gij, aan hun beftaan in heiligheid gelijk, God diendet, zoo als zij in 't ecuwig vrederijk, Waar hecnen ook uw ziel volijverig ging ftreeven, Verlangende om bij God in 't zalig licht te lecvcn: Van hier was 't, dat de gunst dier hooge Majefteit, In uwe zielen zond een' ftraal van heerlijkheid; Dees vuurde uw harten aan tot Godgewijde pligten, Oin, watge dacht of deed, ter zijner eer te richten. —

o Dag!

Sluiten