Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EERSTE ZANG. 133

En 't eind vond aan zijn togt vol moemis en elfcnd, Daar God te Gilgal heeft hun fmaadheên afgewend.

o Speeknde Jordaan! mij dunkt ik hoor uw ruifcherij En zackte winden door het fchuddend boomloof fuisfen Dat uwe boorden fiert, terwijl 't gewiekt gerucht Gods wonderdaan vertelt, en voort vliegt door de lugr.

o Dag! waarvan ik zing, wat zaagt ge al wonderheden, 't Is mooglijk dat, op U, de muurenzijn vertreden Van 't fterkc Jericho , nadat op Gods bevel, 't Reeds zeven dagen lang, door 't Heir van Israël, Oinfmgeld-was geweest, toen zijne toorens vielen Voor de Ark, en 't krijgsgeluk!, wanneer Gods volk de zielen! Op 's Hemels hopgen last, verdelgden van der aard', Verbanden door den brand-, vernielden door het zwaard: Maar wie kan, naar den eisch, van al de wisfe-lingen Des voortgevlugten tijds, in vloeibrc verzen zingen? Volgde ik den Heirtogt na, daar Jebusneörgcknield, Met Pheres, door de kragt der waapneu wordt ontzield; Of zoude ik, nader bij, de ftoutc krijgsbedrijven Der-.Richtten gade liaan, en in mijn1 zang befchrijven , Of oogen op dien tijd, waarin de zoon van Kis Het volk ten troonmonarch en Opperheerfcher is; Of ook toen Jesfcs Zoon, ten zetel opgcdegen-, Was lietïlijk in gejUMJg, en dapper met den dsgen.;,

I * V

Sluiten