Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

13+ DRIE DAGE N,

Of toen Vorst Salomon, zijn welbeminde zoon,

Gods Tempel (lichtte, en, op den clpenbeenen troon

Gezeten, Ju daas ftam en Israël regeerde,

Waar Scheba's Koningin Hem om zijn wijsheid eerde;

Of gong ik, van zijn, tijd, tot aan Zedekia,

't Vcrfcheelende bedrijf van Isrcls Vorften na,

Of Dabeis, euvelmoed geladen op Hebreeuwen ,

Of't donker tijdverloop der dappre Makkabecuwen ;

Of ook hoe Corcs, die beroemde Perliaan,

De Stad en Tempel weêr op vasten grond deed ftaan ;

Dan konde ik in de keur der zaaken ligt verdoolen,

Die ge, o mijn dag! al zaagt, daar't meeste ligt verfchoolen;

Want Gods geheiligd bock meldt met bepaaling niet,

Dat deeze of geene zaak juist op U zijn gefchied, —■

Ik zing, hoe Israël moest, door gehcimenisfen , Zich van Gods hooge gunst in hoope vergewisfen , Toen onder 't oud Verbond, door Arons Priesterftoet, Kiets wierd gereinigd dan door offring en door bloed, De Hoogepriester niet in 't Heiligdom mogt treden , Dan met het wierookvat, en 't reukwerk der gebeden, Slechts eenmaal in het jaar , met Isrels fchuld belaèn, Al beevende en bevreesd voor't Godlijk aanfehijn ftaan ; Toen was, de uitwisung van de fchuld der fnoodc zonden In 't fchaduwachtig kleed dier dienften opgewonden ,

Bij

Sluiten