Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DRIE DAGEN.

TWEEDE ZANG.

Nu rijst, bij '4 fcheemerlkht, mijn tweede en droeve dag,

Omwonden in een kleed van dikken nevel, ach.'

De zon verguit thans niet de berg- en heuveltoppen.

Zou zij 't geleden leed van gisteren verkroppen?

Neen! Jood en Heiden, op dit treurig deel der aard',

Zijn al den invloed van haar fchijnend licht onwaard!

't Blijft fcheemering, dit is de donkerfte aller dagen

Die eeuwig deezen naam. om 's Heilands dood, zal dragen,

Die wel geftorven is , maar nogthans eeuwig leeft,

En door zijn' dood den dood nu overwonnen heeft.

Och ! mogt ik nu de keur der kestbre Specerijen

Aan 't afgeftorven lijf diens dierbren Goëls wijè'n!

'k Zie weenende op zijn graf: daar ligt mijn lieve Heer:

Druipt vrij mijn traanen van geloof en liefde neêr;

Daar rust Hij, al mijn Heil! daar is Hij neergezonken

In gindfche rots, in één der fchoonfte graflpclonken.

o Dag! o wondre dag! Hij, die de dagen fchiep,

En uit de duisternis het licht te voorfchijn riepa;

Ziet

Sluiten