Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DERDE ZANG. 155

Hij zag door "t rookend vuur, dat naar den hemel rees, De zaaken, die Gods Geest hem met den vinger wees. Godvruchtige Enoch, die aan God zijn Heer behaagde, Het welk hij bovenal in boozen tijd bejaagde, Vloog, zonder dood te zien, geloovig hemel waard, Waarop zijn licvend hart zoo lang fteeds had geftaard. 't Geloof was Noachs maat, waar hij zijn fchip naar bouwde, En Abrams ankergrond, waarop hij zich vertrouwde; Hij zag met blijdfchap uit naar 't zegenende zaad , Zijn Heil, zijn eeuwig Al, zijn Hulp en Toeverlaat, Daar hij verzekerd was, dat Gods beloftenisfen , Hoe lang vertoevende, toch nimmer zouden misfen. ; Hij, die een wijle tijds in Abrams tent verkeert, Wordt onderweezen, en door wonderen geleerd, Hoe Sara's dierbaar kroost in .vrijheid is gebleeven, En dat van Hagar tot het dienstwerk wierd befchreeven, Totdat her, beide door denzelvcn Geest bezield, Voor Zions Vorst en Heer ootmoedig neergeknield, Dc waare vrijheid, bij het zalig binnenraaken In 't vrij Jeruzalem, hier boven zoude fmaaken. Hoe heeft dat vergczigt held Abraham gefterkt In 't zaligend geloof, en op zijn ziel gewerkt J Wie weet, hoe 't heilgeheim in zijn gedachten fpeelde , En wat die Vader zich voor zijnen geest verbeeldde,

Die

Sluiten