Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DERDE ZANG. 157

Toen riep hij heel verrukt, ik wacht, 0 Zions Heerl Op deeze zaligheid! en lei zijn hoofd ter neêr. —O dierbaar Heilgeloof, 't geen Gods beloftenisfen Voor vast houdt, datze nu noch immer konnen misfen, Door U droeg Jozefs hart, bij 't fterven aangeroerd, De zorg dat zijn gebeent' naarKanaan wierd gevoerd,] Dat Land, waar lang daarna Mesfias, neêrgezegeu In 't Graf zijns naamgenoots, een rustplaats heeft verkreegen. I Wonderlijk geloof, gij ziet den tijd vooruit, En raamt in beeldtenis 't geheim van Gods befluit. Zou Mozesanderszins, bij 't wis en zwaar verliezen Van troon en kroon, den fmaad wel hebben konnen -kiezen ? Neem, "al defehatten, die Egijpten bood en gaf, Zijn hem gering geweest, bij Christus dood en graf. 0 Helden des geloofs , gij mogt, in de oude tijden, Met 's Heilands vol randzoen, voorloopig U verblijden; Gij zaagt nogthans de komst van uwen Jezus niet; Maar wij zien alles, wat aan Hem ooit is gefchied, Daar zijn Apostels, in een reeks gefchiedverhaalen, Bij zijn Verneedring en Verhooging ons bepaalen. o Kostlijk Bijbelwoord! 0 Evangeliefchat, Die al den rijkdom voor den armen mensch bevat! De feboone voorraad in uw ruime Rijkstrezooren, O Zions Koning! kan mijn hart en vleesch bekooren:

Als

Sluiten