Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DERDE ZANG. 161

En Hij, de Heiland zelf, in 't midden van hun kwam, Hun vrees verdwijnen deed, hun twijfeling benam; Toen was de blijde vreugd uit hun gelaat te leezen: Ja waarlijk, juichten zij, de Heiland is verreezen. Ik juich hen na: o Dag, door Christus ons bereid , o Blijdfchap mijner ziel, o Vreugd der Christenheid!

Ja dierbre Levensvorst, die vreugd hebt gij verworven' Voor fnoodaarts, waarvoor Gij aan 't moordhout zijt geftorven: Gij hebt het kruis veracht, en aan Gods wet voldaan , En zijt ten derden dag weêr heerlijk opgeftaau. De zekerheid hiervan is ons ten klaarst gebleeken In de Evangelieblaên, daar duizend tongen fpreekem: Och! geef, dat mijn geloof zich altoos daar aan hecht, Waar op gij \ ganfeh gebouw der kerk hebt vast gelegd. Laat mij, hoe fleeht ik ben , bij U genade vinden, En plaats mij in den rei van uw geliefde vrinden, Laat mij, wet U gedood, en weder opgeflaan, Door uwen geest geleid, langs 't pad des levens gaan! Och! vorm mij dan tot één der levendige fteenen, Van uw volheerlijk huis, die zich met U verëencn,' En, aan uw' dienst verpand, U eeuwig toegewijd, Voor Gode leeven, daar Gij zelf hun leven zijt; Dan zal ik deezen dag, met al de aan God getrouwden , Volijvrig in den pHgt plegtftatjg onderhouden,

L En

Sluiten