Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

< 17 >

Dat ik zwijge en niet verveele,

'k heb misfchien zulks reeds gedaan, door op zoo veel kleinigheden,

als gewigtig, ftil te ftaan. (12) Wilde ik van de mode zingen,

billijk moest ik ook haar tooi zoo in taal als Mijl gebruiken;

't klonk in 't nederduitsch niet mooi. 'k Sluit, bijna met de eigen woorden,

(maar verfchillende in *t verband en in rijm,) die 'k heb gezongen

in een vers aan Nederland. (13)

\ Is

plaats heeft,) zulke bonnets draagt, is niet zeer eigen, dog een nieuw bewijs der flaaffche volgzugt onzer natie in al wat vreemd is. Men zegge des met fieilbor in de listige vrijjler door nil volentibus arduum, Dus leert men de ondeugd niet der franfeit alleenlijk; maar, rêcbt uit gezcid , Ons Bolland overtreft der Franfen malligheid. (12) De digter van het dichtftukje de mode vcrfchoonc mij da^ deeze vier regels, woordelijk op pag. 15 van zijn vers te vinden, van hem overgenoomen zijn. Dog alles wel nagaande, zijn wij te goedo vrienden zoo in kunst als anders, dan dat hij mij zulks zou kwalijk neemen.

(53) U

B

Sluiten