Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

< 66 >

«uigen, zou hem gaarne haar' boezem gegeeven heb* ben om dien te ftreelen mee zijne kleine, beminnelijke handjes. Huilde hij, ver van lastig, was zulks ongemeen bevallig ; zijn gefchreeuw zelf was met een onuitdrukbaare zagtheid gepaard. Van elk gefixeeld, gezoend, gelikt, kreeg hij van ieder zulk eene menigte galant fpeelgoed, dat zijn moeder'er een kabinet van bewaart, en dit den liefhebberen toont, ten bewijs hoe geliefd haar zoon in zijne

tedere jeugd was. Hij wierd den jaaren, en

toen ontdekten zijne fraaije hoedanigheden zig in de grootfre volmaaktheid. — Welk een levendigheid! — welk een verftand! — wat al bevalligheden ! — welk een mond om te. glimlagchen ! — welke pogen om te lonken! enz. enz. — Deeze verheven given bragten zijne moeder in twijfel of zij dien beminnelijken zoon voor de kerk of voor den fchouwburg zou opvoeden. Een bijzonder geval fieed haar de kerk kiezen. Het: weinige, haar door haar man nagelaaten, was

egter

Sluiten