Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

io MENGELPOËZIE.

En gij, die reeds ten top van aardfche praal gefteegen, Den rang van machtig heer of heerfcher hebt verkreegen, Denkt aan den dood die fteeds aan uwe zijde waard —■ Wiens altoos dreigende arm, geen leest des leevens fpaard. De tijd, die als de wind op 't fnelst word voortgedreeven, Is Hechts een fhauwe ftip bij 't eindloos heemelleeven,— En d'eer, — d'onzaalige eer, die u zoo luistrijk fchijnd, Een waterbel, wier glans in enkel rook verdwijnd; Ja! de allerbeste lof, waarop ge uw hart doet boogen, Vernietigd zich, gelijk een fneeuwvlok, voor uwe oogen. Waar is thans de allerwijste en groote Salomon? Waar de misleidende en fteeds wreevlige Abfalon ? Waar Samfom, wiens gelijk in kracht niet was te vinden?— Of trouwe Jonathan, het voorbeeld aller vrinden? Waar vind men Csefar thans wiens onverwinbre moed Zijn valfche grootheid vestte in dierbaar menfchenbloed? Waar ziet zich Crefus nu om zijnen rijkdom eeren ? Of Aristoteles, die Wijsgeer, door zijn reeren?

Wat

Sluiten