Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

M E N G E L P O Ë Z Y E. u Wat was hunn' glorij toch, indien men. 't wel beziet ? Een fchaduw die verdween— niets, dan een nietig niét. Helaas! hoe treurig is 't, in vollen glans te praaien, Om eeuwig in een zee van rampfpoed neêr te daalen, En, voor "de ketens van een' aardfchen wisfelftand De kroonen te verfmaên van 't hemelsch vaderland» Ruk los, ruk los, 6 mensch, die kluisters uwer zonden 1 Sluit met Emanuël, verworven kruis-verbonden» Die 't denkbeeld van gods trouw vereeuwigen in 't hart; Zoo zult gij hier op aarde, al treffe uw fmaad en fmart, Zelfs in den laagflen Haat, gedrukt door zorg en rampen, Gelijk een held der deugd, volmoeds, met d'onfpoed kampen,, En, voor bezoedelde eer, voor ijdel zondendraf, Genieten 't zaligst deel aan d'andre zijd' van 't graf. Ja! fchoon de fchelle faam niet tot aan 't eind der tijden, Uw'naam aan 't nageflacht met luister toe moog' wijden; Schoon men uw kil gebeentte al niet met weidfche pracht, J In volle ftaatfie-praal heeft naar het graf gebracht; —

B 2 Schoon

Sluiten