Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

18 M E N G E L P O Ë Z 7 E.

Eens waerelds vol bedrog, onfkuischt door vloek en eeden, Waarin de deugd moet Haan ten doel van kwaade zeeden Ja! wier betoovrend niet, het'beste en reinfte hart Ten fchuldloos offer vormt van nokkende aardfche fmart.

Mijn zoon — och mogt mijn taal tot in uw binnendst dringen

Mogt deeze liefde traan, die ge uit mijn oog ziet fpringen, Uw hart vertedren in dit uitterst oogenblik; Dan gaf ik wel te vreên aan God den Iaatften fhik. Zoek— zoek uw Heiland! hij zal door zijn wet u leeren, Hoe een recht chrilïen 't leed van zonden dienst kan weeren. Wees heusch — verban uw fmart - verzacht elks ongeluk, Enfteun, als menfchenvriend, de fchaamlen in hunn' druk ! In alles ken u zelf — ken door de deugd uw waarde! Leer leeven om te zijn, gelijk aan die u baarde, Leer daaglijks ftcrven, zoon! op dat gij nimmer beeft, Als de Almacht eischt, dat gij haar 't leeven weder geeft. Vaarwel!—mijn fpraak verflaauwt,-zij word reeds afgelheeden, Kom kus mij en — gedenk uws vaders veege reeden, Ja! denk, zoo gij op aard des Hemels gunst verwerfd,

Dat gij dan eeuwig leefd en ftervend, nimmer fterfd.

Hier

Sluiten