Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MENGELPOËZIE. 37

'k Zie den glans als verfche roozen,

Van uw's leevens uchtenftond,

Op uw bolle koontjes bloozen,

Met een lachjen van uw' mond.

'k Zie aireede een fchrander vonkje

Tintien in uw oogjes gloed,

Dat, door 't lodderige lonkje,

Hoop in 't hoopend binnendst voed.

Dank, ó god der zuigelingen!

Dank, 6 Jezus uw genaê,

Kroon mijn' wensch met zegeningen >

Sla dit ftaamlend wichjen gaê!

Ai, vervul mijn liefde zuchten,

Die ik zond tot voor uw troon,

Toen me, op 't ftrand der ongenuchten,

Deez' uw gift werdt aangeboon!

Laat, ach laat het kindje leeven,

Voor de wijsheid en de deugt,

Laat het, ftaêg, van druk ontheeven,

Blijven onzes leevens vreugt.

Gaat 1

Sluiten