Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MENGELPOËZIE. sx

t Plicht! 6 vriendfchapsplicht! die 't reinst genoegen bind j Hoe lieflijk knellen mij hier uw fluweele boeijen! Gij eischt mij zuchtjes af, die langs mijn' lippen vloeijen, Zoo lang mijn hart op aard een zuivren wellust vind.

Welaan! 'k zing dien ter eer en, mijn ijvoore luit, Bromt-wijl een hemelsch iet mijn klanken fchijnt te mengelen, Daar ik een kransje voor Louïza (*) leerde ftrengelen, — Een blijdfehapacmend lied voor mijnen Bijmholt uit.

Ja, vriend! ik zing voor u , daar 't oog een traan ontglijt; Gij leeft! — triümf. gij ziet uw' leevenskeetcn rekken, — Op datge tot 's lands eer, — ter heilbaak zoudt verfirokken Voor't fchoon — voor 't dierbaar kroost waar van gij vader zijt.

Voor 't kroost! dat met uw gade in mijne wcrifchen deeld,— Voor 't juichend kroost, dat thans, met traantjes op de wangen, Aan'r doelwit van mijn' zang — aan uwen hals büjfc hangen;En de eerbied voedfel geeft, die mijnen boezem lircelt.

Triümf,

(*) Mevrouwde Erf-princesfe ren Oranje en Na>juu.

Sluiten