Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MENGELPOËZIE. 77

Stout opgedonderd uit de hel Verheft het oproer uit haar kolken

C 't Affchuwelijkfle wangeftel.') Het kopren voorhoofd tot de wolken, ]

Waarmeê de fhoó geweldenaar

De grondvest van 't gewijd altaar Der kerken pijlers durft bedreigen.

è Overheid, uw zetel fchudt,

Reeds kraken tempel ftut bij flut En alles llaat ten val te neigen.

Ze ontbloot haar' arm, den arm des moords, En blikfemt met verftaalde handen

De ontzachelijke fulfertoorts, Geroofd uit 's afgronds ingewanden.

De rook, die uit ons midden floeg,

En naar den hoogen hemel joeg, Bezwalkt de dag en zonneblikken

En ploft weêr neêr, van helflof zwaar,

De onnoofie burger ademt haar En voelt zijn borst door 't vuur verflikken.

y F 3 Ter-

Sluiten