Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MENGELPOËZIE. 81

Reeds juicht m'in 's afgronds element En fatan hoonlacht blij te moede;

Hij reikhalst naar 't rampzalig end, . En kitteld zich in zo veel woede.

Eén wenk nog, en zijn blixemiTraal

Behaald de volfte zegenpraal! Bedrieg ik mij — of zien mijne oogen

Het vlieten reeds van 't ruisflend bloed

En heeft de razende overmoed Zich zat aan 't ftromend nat gezogen ?

Mcnschlievend god, ziet gij dit aati ? Is 't tijdliip daar, dat gij de belgcn

Door vuur en ftaal zult doen vergaan, Ons Neerland in zijn bloed verdelgen 3

Kan dan der winden buld'rend woên

Uw wraak en oordeel niet voldoen? En is het hol geklots der wateren

Noch niet toereikende om den hoon Van uweia vlek,keloozen thvoon Te wreken op uw dienstverlaateren ?

F S . Heeft

Sluiten