Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

S4 MENGELPOËZIE.

In dit rampzalig tijdsgewricht Ontwaakte gij, recbtfehapen braven,

Wier wakkre handen 't hoog gericht In 't vorstiijk Delft manmoedig Haven.' U fpoort het heil van 't kwijnend volk: Gij ziet het blikkren van den dolk — — Gij ziet de vlam zich reeds verheffen, Reeds dreigd ze u daken, ze is nabij, Reeds, kraakt ze blaakrend aan uw zij, Om wat u dierbaarst is te treffen.

Reeds lekt zij uwer wanden zweet, Met duizend — duizend llange tongen,

Maar gij, gij keert het dreigend leed .

En 't prangend juk is los gewrongen ;

De tuigen van de muiterij

Ontweldigd en verbijzeld gij; De brandftof — 't vuur der moordharpijën

Verfpreid gij door uw eendrachts macht; . Uw zorg verwoest verwoeftingskracht; Al de aard ftort traanen van verblijën,

Triümf!

Sluiten