Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MENGELPOËZIE. U9 Neen, 't doed mijn hand, vorstin ! 't vergode fpeeltuig fpannen, Om hier, geheel gevóel, een' blijden toon te flaart; Men doem mij daarom vrij in 't oord der heitirannen; ' 't Strekt mij tot eer ten doel van zulk een' vloek te liaan. Zoo lang gods almacht fpreekt in 't hart der Batavieren, Belacht het braaf gemoed de flitzen van den nijd: Een takjen, uit den fchat van nassauws heillaurieren, Droogt duizend traanen af van een vervloekten tijd. Het zal dan, zoo ik hoop, doorluchtige! u niet belgen Dat ik dit letterkransje aan uwe voeten breng: En, dat ik daar, als een 'der rechtgeiiarte telgen, Verrukt, vervoerd door vreugt, een traan van eerbied pleng'! 't Zij andren ook gegunt naar zulk, eene eer te trachten, Daar uw geboortedag haar niet dan gunst bereid. Zij zwaaijen booven mij hun gouden arendsfchachten; Maar geen, geen hart, vorstin ! kweeldzuivrerdankbaarheid. Eer worde aan 't firmament zijnweemlend floers onttoogen • Eer wentle 't waereldrond van zijnen aspunt af; Eer doov' de gulde trans" van 's hemels ftarrenboogen; En vinde in Nederland de laatfte Ham zijn graf;

Eer

Sluiten