Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i2o MENGELPOËZIE.

Eer Nasfauws huis, pnnfes! waar aan gij zijt verbonden, C Waar door men vrank en vrij genade en godsdienst leerd , Wiens helden in hun bloed, onz', aller vrijheid grondden,) Door V loevefteinsch gebocftte in luifter word' verneerd! Gods almacht doe erlang het woên der dwingren zwijgen, En blixcm door zijn hand den laster in het zand; Op dat eens uw gemaal ten glorie - top moog' Hijgen i Als een vcrlosfer van het zinkend Nederland. Zie éénmaal met 'hands heil, uw beider heil herbooren» En 't doornenooft hernieuwd in farons roos gebloemtt', Waarvan het lagchendt groen blijv' dartiend om u glooren,; Zoo lang men uwen naam met zielverrukking noemt. Zie eens, ö groote vrouw! in 't vorstlijk kroost herleeven Den zaalgen heldeij-asch uit uw doorluchtig huis. — Gemengeld met het vuur, als groote f red riks neeven, Op dat zij Zijn ten fchrik van 't fnopde huurgefpuis. Zij leeven! ja, met u, met hun doorluehte vader! Zij leeven naar uw beeld, en zijn geduldig hart.' Zij groeijen, als uw hoop, als uwen fleun te gader, Tot fens uw vorstlijk grijs den herfst der tijden tart! ■ ï En

Sluiten