Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MENGELPOËZIE. 131

',k Gevoel, 'k gevoel, met u, de kinderliefde gloeien;

Ik fmaak die ook, als gij, in voor en tegenfpoed; Ik mag, ja ook als gij, mijn heete traanen fproeien,

Op 't graf van mijnen zoon,~f't gebeente van mijn bloed: Hij werdt mij ook ontrukt; offchoon een vloed van traanen

De vaderlijke zucht ten hoogen hemel zond: — 'k Moest zwijgen , in gods wil, daar niets mij rust kon baanen,

Dan 't anker mijner hoop op Christus heilverbond. Omhels, omhels die rots! fla met mij 't oog naar booven 1 Gods zorg ontrok uw' zoon aan 't knagend doodsgeweld; Zijn klaagtoon is verhoord, in 't blinkend hof der hooven„'

En hij, door heilgenaê, van 's waerelds leed herlleld. Wij worstlen dag aan dag met eenen drang van zorgen, Als 't fiddrend voorfpook van een nieuwe dwinglandij: Maar bij, hij leeft in 't licht van eenen heldren morgen,

Hier zet hem 't vreede zoet den reinflen wellust bij. WeestcHRisTNEN Haakt, ei fhr.kt uw hartvcrlichtend fchreijen!

Verloor ge uw Jacod uit het oog der ilerflijkheid, Eens rend uw vlotte ziel naar 't choor der englen reijen ,^ Daar 't zalig bloed des lams reeds voor uw' heilftaat pleit.

DEN

Sluiten