Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MENGELPOËZIE. 137

Óp dat de vuige list voor uwe blikken beev',

En Fredriks groote naam in uwe daden leev'.

Die koninglijke naam moet u ten prikkel weezeri,

Om u bij mavors kroost reeds vroeg te leeren vreezen;

Die koninglijke naam herinnere u dén vorst,

Wiens grijze kruin de kroon van 't rhagtig Pruisfchen torschtl

Den vorst, die in ft geldei dér dondrende oorlogs klooten,

Met de ijzren vuist de kroon van 's vijands kop kon ftooten ■

Den vorst, die, door den troon van zijn réchtvaerdigheid,

De waare dankbaarheid zich aiet ten toon gefpreid,

De dankbaarheid? -— gewis, deesging zijn heil volmaaken

Bewonderd van 't heelal kan hij dien zegen fmaakeh.

En gij, gij drukt zijn daên , gij drukt zijn evenbeeld,

Daar u het zelve bloed door hart eri adren fpeeld.

Gij drukt zijn daên, ën 't vuur van hem u ingefchaapên,

Zal 't heldenlemmer nooit in uwe hand doen flaapen.

Gij gruwt reeds in uw jeugt van 't woen der dwinglandij ^

Dat vrije halzen klinkt in boei en flavemij,

En zult, door god gefterkt, 's lands Staat en vrijheid hoeden,'

Dat nooit haar luister duik in 't zwerk der tegenfpoeden.

K . Gij

Sluiten