Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ï$6 MENGELPOËZIE.

Of, meentge dat de last van zóó veel ongenuchten,

Niet eindelijk een hart, hoe ook gelaaten, kneld?

't Ontlast dikwerf de fmart door overftelpte zuchten;

Maar 't weder/raat niet lang de fchichten van 't geweld. 'tZegd veel te lijden, vriend! het ooft der zorg te plukken,

Als rampürcaanen woên van gods rechtvaerde hand; Maar,eindloos - eindloos meer 't rechtfchennend onderdrukken

Der beulen van gods kerk en ,'t zinkend Nederland. Wat welgeaarde belg kan 't juk der heerschzucht dragen

Dat in déeze ijz'ren eeuw zoo listig wordt gefmeed, Of voelt, door't vlijmendst wee zijn fchouderen doorknagen, .Vervloekend' 't geen men gunst van burger-drukkers heet. Denk echter niet, Bodien! dat immermeer tirannen,,

Schoon 't vuur van hunne wraak op mijnen fcheedel woed, Door hunner bloedraads wet mijn plichten zullen bannen;

Neen: 't dwingende gezach vermeesterd nooit mijn'moedIk, zints den prilften tijd dier gouden Ieevensftonden,

Waar in het redelicht pas de uchtend glanzen trekt, Om 's vaderlands belang aan Nasfauws huis verbonden;

■Ik blijf zijn deugt getrouw ten fpijt die 't wreevel wekt;

Ja!

Sluiten