Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

58 MENGELPOËZIE.

Dit Mondje durf ik vrolijk hoopen,

't Rijzc eens uit de asch van eigenbaat.' Al moest ons bloed uw recht ook koopen,

'k Zie u eens, redder van den ftaat, Triümf! eens wordt uw leed gewrooken, En door gods hand de boog verbrooken

Waar mee men d'onfchuld nu beloerd j En dan, — dan word ook de eendrachts keeteri. Door fatans klaauw van een gereeten,

Voor eeuwig weder vast gefnoerd.

„ Geef dit, 6 eeuwig alvermogen!

„ Maak Nasfauws haateren tot fchand, „ Ach wilP eerlang hem weer verhoogen

„ Tot heil van 't zinkend vaderland; „ Verfterk de trouw der Friefche Leeuwen, „ En die der altoos trouwe Zeeuwen,

„ Ter teugling van de muiterij! n Vergruis fchrikbaarende oprocrtuigen, „ Doe monfters voor uw' vinger buigen,

„ En weer vermetele dwinglandij!

» Rek

Sluiten