Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MENGELPOËZIE. 185

Zöu mijne zangeres dit heil uw niet voorfpellen —

Zij ziet, geheel verrukt, deez vreugtftraal reeds vooruit 1 Een Moet van helden zal den kop der tweedracht vellen,

En 't nieuw Wilhelmus klinkt weêr op d'ijvoore luit; Vergeet, geliefdfte uw leed, wil uwe traanen ftaaken!

De donders breeken los'van lang getergde wraak j Uw's vaders taai geduld doedt Neêrlands boeien flaaken,,-*»

Elk burger bied zich aan voor zijn gerechte zaak. Der Pruisfchen adelaar, door moordzieke onverlaaten,

Beledigt in zijne eer; geflooken naar zijn kroon, Braveerd alree 't geweld, en eischt van Neêrlands flaate»

Vergelding van den grief, en fel geleeden hoon. Zou niet die wijze vorst het leed uw's moeders wreeken,

Die flonkerftar der deugt, die paerel van zijn' ftaml En ongevoelig zijn, daar duizend blixems breeken,

Op dat de oranje-zon haar loop een einde nam: Zou, die den fcepter zwaait des grootcn van germanje,

Ooit dulden dat men 't hart zijns zusters ftout beftrij', En 't luisterrijk juweel der echtkoets van oranje, Ten prooi word' van den roof der wreedfte dwinglandij? — N Neen,

Sluiten