Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MENGELPOËZ T E. 't Verachtelijk/Ie fchufm der fnoodaards,

Door 't goud der grooten faam gefchoola, Ge/lerkt en aangevuurd, door bloodaards,

In listige eigenbaat verdoold; Zag men, zo roekloos als vermeetel, Alöm den aehtbren eere-zetel

Ontëcren door het floutst bevel; En fielten, die de reden fchuwden — En zich aan dolle boosheid huwden, De rechtzaal vormen in een hel.

Ja de aterling floeg zelfs, (6 fchanden!) ■ Aan Neêrlands dierbre goé'llin De op moordzucht afgerichte handen,

En riep zo Alvaas tijdfpook in. Nog flechts één wenk, en Nasfauws gade Was, zonder de opperfte genade,

De prooi van driesten euvelmoed. Gedankt, 6 eeuwig godtijk weezen! Gij redde toen men 't al moest vreezen,

Gij redde alleen vorst Fredriks bloed.

Gij

Sluiten