Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MENGELPOËZIE. 195

Gij redde haar uit 'sdwinglands klaauwen,

Herftelde Willems echtkoets weêr; Maar 't wreeken van haar ziélsbenaauwen,

Dit vorderde ook uw godlijke eer. Uw fcindren, die fteeds biddend treurden, En fchreiënd 't hoofd ten hemel beurden,

Had ge éénmaal in uw gunst verhoord: Staakt, fprak uw alwil, thans uw zuchten 1 Ik eind flraks Neêrlands ongenuchten;

De vlam der tweedracht zy gefmoordl

Op uwen wenk, 6 algebieder.'

Toog Brunswijk, Fredriks harnas aan, En deed den trotfchen deugt-ontvlieder

Welras met trillende armen ftaan. Hij brak door 't overwinnend lemmer, Als een fchrikbaarende onrust-temmer

Op eenmaal onze boei van fmart; Ja 't helden leger van Germanje, Hergaf op 't onvoorzienst, Oranje

Aan 't door de heerschzucht treurend hart. x

Triümf

Sluiten