Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

9<S MENGELPOËZIE. Triümf dan, dat we onze offers wijden,

Aan Pruisfens vorst, zo goed — zo groot! Dat eeuwig bij die god belijden

Een danklied klink' tot aan de dood ! Het land is vrij, door Brunswijks degen; 't Geweld heeft op zijn' wenk gezweegen;

Zijn hand heeft batoos vreê getroond; Zijn moed eischt vrije vreugdegalmen: Zijn heldenkruin, voegt eerepalmen,

Waar meê de belg hem juichend kroond.

Triümf, triümf! een blijde waereld

Weergalmd van vreugt: oranje koomt,

Met blinkende eer en glans bepaereld,

In Utrechts vest, waar 't traanen firoomt.

De kortlings bleek beftorven kaaken,

Waaruit men zucht op zucht zag flaaken, Herkrijgen reeds de glans der rust;

De vreugde ontplooid het treurigst weezen;

Daar men uit oog en hart kan leezen: „ Wees welkom, Neêrlands QPgen-Iujjt!"

Trlpmf,

Sluiten