Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2io MENGELPOËZIE.

En liet, verfuft, den ftok zijn' beevende arm ontvallen; Waar over Langoor hem zo fneedig wist te kallen, Dat hij, van nieuws geraakt, 't befluit nam om, tof loon, Door list en laster zich te wreeken van dien hoon; En fchreeuwde uit al zijn macht, als of hij was bezeeten , „ Ach, vrienden ' fta mij bij, deez' hond heeft mij gebeeten, — „ Men vang hem - hij is dol, en moet, 't is nut, van kant, „ Want fifekt ten groot gevaar van onzen leevens Hand: „ Toon des, 6 burgers! u om mij te wreeken, vaardig, „ Het hoonen mijns gedulds maakt hem genade onwaardig". Waarop wel ras het graauw, door deeze klaagtoon fier, Met onbefuisden drift viel op 't onfchuldig dier, En deed het, na een groet van Heen en, —. flik en fcherven. Gefleurd - gefchopt - getrapt, in een der graften fïerven. * * *

De fammelaar ging heen en hinkte, zonder pijn, Daar zijn kwaadfpreckendheid ons kan tenaffchrik zijn.

TER

Sluiten