Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

213 MENGELPOËZIE.

Doof dan dien gloed n jet, vorst! waarmee 'k u hoogheid nader

« ri I

Gun, dat het zwellend hart zich door den mond ontlast, Die eeuwig flaamlen zal „ lang Ieev' - lang leev' 's lands vader „ Ten vloek en fchrik der hel, die op zijn grootheid bast!' Gij overwon in 't eind tot zegen deezcr landen,

Eén wenk van 's hemels troon herllelde u in uwe eer, En gaf, tot ftrengling der gefchonden unie-banden

U, aan het fmeekcnd volk van 't zuchtend Holland weêr: Leef, leef nu in dien arm waar uit de nijd u rukte,

Bewonderd als 't faphier aan vrijheids glorie kroon, En, zo de wraakzucht ooit uw wettig erfrecht drukte, Dat dan, der braaven arm, vermeetle muiters loon': Dat recht, dat recht alléén, kan batbos vrije ftaaten

Tot 's waereldsch jongftcn ftip behoên voor dwinglandij; Het ftaaven van dat recht ontzield 's lands onverlaaten,

Maakt, dank zij 't albefluur! ons thans veradeld, vrij. Ja, dierbre Willem! 't juk dat onze fchouders knelde Legt, door uw taai geduld, gcblikfcmd in het Hof; De wcilooze euvelmoed die batoos hoope velde, Is thans veiwisfeid in een halel tot uw lof:

Men

Sluiten