Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

232 MENGELPQËZY E.

Rampzaalige! tot wien zult ge in deez'ramp u wenden. . . J Het oor der rijke liên is doof voor nood en klacht; Hun hart, noch nooit gedrukt door armoê noch elenden, Word door geen ftomme zucht tót meedelij gebracht. Ginds legt mijn gade, laas! door angst en zorg omtoogen, En flaapt, een wijl van druk en bitter leed ontlast; Daar zij haar zielefmart fteeds loost door leekende oogen; Offchoon zich 't vadzig lijf in fluimering vergast. Ach, moest ik, lieve Odilde! u ook tot onheil brengen? U! die mij t' eiken dag meer deugden - blijken geeft! Kan 't blinkend geestendom dan onvernoegd gehengen Dat deonfpoed van den tijd het zuiverst hart weerftreefd ? 6 ja, mijn ongeluk in goëls zaal beflooten, Word nooit aan 't aaklig lot mijns leevensftand ontzeid; Een ieder zal mij fteeds met wreevle fmaad verftooten: Het anker mijner vreugt wijst naar d'onfterflijkheid Kom dan, 6 vaale dood! met uwe vlotte gangen, Doorboor met uwe fchicht mijn diep gefolterd haK, Wil mij, 6 duifter ftof! in uwen fchoot ontvangen, Ea maak een einde dus aan 't knagen mijner fmart.

Maar

Sluiten