Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

244 MENGELPOËZIE.

Toen kon alléén een zucht _ een zucht van tegenfpoed,

De liefde voor 's lands vorst ten hoogen heemel troonen;

Ja! 't diepgewonde hart ontzonk en kracht en moed,

Wanneer 'tnaar eed en plicht die burgerdeugt moest toonen.

Maar nu - daar 't albeftuur Oranje ons wedergaf,

Daar wreevle nijd en haat door 'tgodsrijk zijn gekluifterd,

Daar't vrij gewest herbloeid, door 'theil van Fredriks flaf, -

Nu is 't ontkeetend hart door blijdfchap opgeluiiterd.

Koomt, juichen - juichen wij op deezen blijden Hond ;

Gedenken we aan gods trouw, geliefdfie dischgenooten /

Koomt, wijden wij aan hem triümf met hart en mond,

Laat ons door deezen dronk, zijn' roem - zijne eerver-

(grooten

,, Ontvang, drieè'em'g god!

» Beflisfer van ons lot! „ De hulde onzer harten:

„ Ontvang d'arkentenis

, Die men u fchuldig is, „ ö Redder onzer fmarten!".

„ Be-

Sluiten