Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MENGELPOËZYE. 30?

Men hield, ja! teegens plicht en wet, Die deugdzaamfle in haar reis belet, Tot Neêrlands wisfe fchanden; En fchepte dus van 't vrij gewest, Een rustvernielend rooversnest, Waar 't wraakvuur kluiflers fmeed in fteê van uniebanden,

Hier van droeg ik 't getuigenis, 6 God! dat niet vernietigd is;

Gij weet wat.ik gevoelde: — Maar teevens ook dat mijne ziel Niet gantfchelijk in wanhoop viel, Hee zeer ook d'euvelmoed met haare flaaven woelde.

Mijn

Sluiten