Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EERSTE ZANG. H

Daar hcldre tranen in hun tintlende oogen zwellen ,

En 't huplcnd jeugdig kroost de zachte ziel verheugd. „ Mijn vriend! ( dus zucht Marie), ach ! kendet gij de zorgen ,

„ De konimervollen angst van Reigerbergens hart! „ Ik beef voor mijn de Groot, bij 't nadren van den morgen,

,, En, ach ! elk' avondflond vermeerdert mijne fmart!

Ik weet, uw deugd heeft lang der dwinglandij verbittert -

,, Een heimelijk voorgevoel voorfpelt me uwnadrend lot „ Uw roem heeft veel te lang de nijd in 't oog gefchittert —

„Ach! wiebefchermt u meer ?".... Der waren Christnen God! Mijn wellust! (zegt de Groot) beklem mijn tedren boezem

Niet, door uw droefheid! leef voor ons aanminnig kroost J Die vrolijke Engeltjens , met 's levens jeugdig bloefem

Verziert, verzachten 't leed: ik wagt mijn lot getroost! Uw lievend hart maalt u mijn dreigende gevaaren,

Met al te donkre verw; 'k zucht Hechts om 't Vaderland; De dwangzucht zegeviert, nu zal haar wraak bedaaren , (a)

Vorst Maurits heeft zijn wensch — en vindl geen tegenftand ! "

Wee-

(a) Mijn lezers befchuldigen mij niet van partijdigheid, wanneer zij eenc hooge maate van gevoeligheid in dc gezegdens van de groot

en

Sluiten