Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

12 HUGOdc GROOT.

Weemoedig kuscht de min, van lieve rozenwangen ,

Maria's traancn weg: vreugd fchittcrt in een lagch, 'tKroost blijft aan 'sVaders hals, met vleiende armpjens, hangen ,

En ftreelt de fronfen weg, van 't moeilijk (taatsgezagch. Dan, eindlijk, noopt de tijd van 't liefgezin te fcheiden,

Een ftiUe ontroering doet zijn duidlijk (prekend oog, Op al de wellust van zijn wislend leven weiden,

Hij zendt een (lillen zucht uit 't zwoegend hart om hoog ! — Hij ziet zijn zielvriendin door grievende angst beftrijden ,

Terwijl zij fnikkend hem met gloênde lippen kuscht: „Ach! (ftamelt hij) moet ik 't grootmoedig hart zien lijdeu ?

„MijnGaeï'k fmaak in uw arm eerlang wéér vreugde en rust:"Dc vrugtbaarheid, omkranst met gouden koorenaïren ,

Zij, die op 't golvend veld flaapt in den zomergloed, Die rijke en milde telg, der wisfelende jaareu,

Schonk nu haar fchatten weer, aan lagchende overvloed.

De

en anderen opmerken ; als ik karaktermatig wilde dichten, moest ik hen dc taal in den mond leggen, die zij, natuurlijk, jegens hunne

tegenpartij in het hart voerden. De menschkundige lezer zal

dit moeten toeftemmen.

Sluiten