Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

*4 H U G O de GROOT.

't Licht (hooit de naehtgordijn , met zachte morgen roozeu, (*)

Nu daagt de feest dag, der gcvloekiïe ondankbaarheid, Die dag die Nederland, alle eeuwen door, doet bloozen,

Wen 't oog des nageflachts in zijn gefchichtrol weit. i

De ware Vriendfchap, nooit door zelfbelang ontluifterd ,

De vriendfehap ,'t kenmerk van een grootsch gevoelig hart, Hadt mijn de Groot op 't nauwst aan Barneveld gckluiflerd,

Dit edel vriendenpaar verduurde vreugde en fmart. De brave Grijsaard was, in Hugo's tedre jaaren,

Reeds door den blocfemtooi der fchoonftc hoop bekoord; Hij zag hem 't vlugst vernuft met 't kundigst oordeel paaren,

Minerva trok de Groot naar beuren tempel voort. Zijn vaderlijken raad bleef hem op 't minzaamst leiden:

Mijn jongen Staatsman , vroeg door edle deugd verrukt, Blaakte in een hcmelgloed, die vriendfchap kan verfpreiden,

In 't hart, waar God het merk der ceuwge liefde drukt. De dag eer 't aklig lot het vriendenpaar moest treffen,

Hadt mijn de Groot zijn vriend het nadrend leed voorfpeld, 't Staatkundig fchrander oog deedt hem 't gevaar befeffen; De boden des verraads zijn oproer en geweld! (O Hechtenis van de groot Ao. 1619. De

Sluiten