Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TWEEDE ZANG.

Hoe naar weergalmt de lucht, door bange jammerklachten,

Daar min met vriendfchap zucht,cn de angst het hart verfcheurt! ó, Roemrijk Rotterdam! kan iets den rouw verzachten,

Van haar die,als een duifje,in 't eenzaam boschloof treurt ? ... Grootmoedige Echtgenoot! hoe treft me uwgrieyend-fnikken,

Tc Voel al uw lijden, om den liefliug van uw hart! Ik flijt met u, vol angst, de flepende oogenblikken ,

ó Zaajge tederheid! wat baart ge al bittre ftnart! Die flille droefheid, die de levensbloei doet kwijnen,

Die zelfs de balie klacht in d'engen boezem fmoort, Doet al 't genoegen voor Maria's oog verdwijnen,

De Schepping wordt voor haar een woest, een treurend oord! Zij ziet haar telgjens in haar grievend lijden deelen,

De lieve vadernaam, die op hun lipjens zweeft, Pie 't kloppend moederhart, met zuivre vreugd, konftrelen,

Vergroot thans d'angst en rouw, die al haar hoop weêrftreeft, Haar trouwlte Hartvriendin, die reeds in 's levens bloefem ,

Door vriendfehaps heilgen band, was aan haar ziel gehecht, KTielt nu Maria, zacht, aan haar beklemden boezem;

En zucht: „Ach hopen wij op 'sLands bezwooren recht!

B 3 t» LiS?

Sluiten