Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TWEEDE ZANG. ss

ó Zuivre tederheid! gij ftraalt uit fchreiende oogen,

Terwijl de boezem gloeit door 't blakend liefdevuur! Word zelfs geen tijgerhart tot menschlijkheid bewoogen,

Wanneer 't de zuchten hoort der lijdende natuur? . . . . Ach ! troostelooze Echtgenoote! uw beê zal niet gelukken,

De laage wraak', die,trotsch de menschlijkheid,verfmoort, Die recht en wet vertrapt, die de onfchuld durft verdrukken,

Veracht u, daar zij zelf naar eed noch plichten hoort. De Groot moet eenzaam in den Haagfchen kerker treuren,

Men gunt hem niet zijn gaede, in 't naar verblijf, te zien, Men weigert hem zelf ftout, (dit kan zijn ziel verfchetiren,)

Zijn minzaame echtvriendin, door fchrijven troost te biên. Dan, medelijden woont nog bij natuurgenootcn;

't Gevoel der menschlijkheid ontvlucht de wapens niet; Neen, 'tkan de glorie —de eer der heldendeugd vergrooten,

Ik zie hoe Nijthof hem 't geliefkoosd fchrijftuig biedt. Die Held, zijn plicht getrouw, weet dat geen dwang kan vergen,

Dat de edle ziel de wet van reede en Godsdienst fchendt,

Hij duld niet dat men wreed Tt misdadigst hart zal tergen , En, daar hij de onfchuld van mijn Staatsgevangen kent,

B 4 Dos*

Sluiten