Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

28 H U O O de G R O O T.

Zijn weêrhelft meld hem 't lot der Nederlandfche Steden,

Hoe helfchen dwang op trouw en onfchuld zegeviert, Hoe kruipende eigenbaat elk raadhuis moet bekleedcn , Daar flaaffche vleierij de vierfchaar fnood ontfiert. Dit heimelijk bericht, zoo hoonend voor 's Lands Vadren,

Perst weer een zwarte wolk voor 't wijkende verfchiet: Hoe gloeit het ijvervuur de Groot in hart en adren,

Terwijl zijn fchrander oog geen hoop op uitkoomst ziet! Zijn rustelooze echtgenoot, die nergens troost kan vinden,

Reist telkens naar den Haag 5 hier ademt zij die lucht Die 't kwijnend leven voed, van haren zielbeminden, Die 't vreedzaam voertuig is van elke boezem zucht. Hier flijt ze, in 't wreedst verdriet, haar jammervolle daagen,

Met jonge Amelia, haar dierbre zielvrindin , De fmart blijft aan de kracht van 't hijgend leven knaagen.

Hoe word haar rouw gevoed, in 't jamrend huisgezin Van vader Barneveld, wiens zieldoorgrievend lijden ,

Zijne afgeleefde Gaê, met moordende angst beknelt, Daar dierbre kindren hem hun heete traanen wijden, Hoe fchreit zelfs 't telgje van zachtaarte Groeneveld!

Dit

Sluiten