Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

34- ■ H TJ GO d i G R O O T.

De bleekc dood fcheen zelfs met 's Grijsaards leed bewoogen ,

Zijn kouden hand boodt hem,zoo 't fcheen, reeds fombren troost, Dan, aarzlend deinst hij ftraks ; het liefdrijk Alverlnoogen

Voert wcêr mijn'Hogcrbects in d' arm vanGaede en Kroost. Men durft die dierbren ,trotsch zijn pijnlijk ziekbed, bannen ;

ö Wreedheid! die natuur medogenloos verkracht! Boogde ooit geweetensdwang op haatlijker tijrannen?

Beeft,monsters!dat uw'naam'verfchuilein 's afgronds nacht!— Men durft bij 't hooggezach , in 't eind, een vierfchaarkiezen,

Waar eigenbaat of wraak de voorfte zitplaats heeft, Hier zal gerechtigheid haar evenaar verliezen!

Verfchriklijk treurtoneel! mijn jonge zangnimph beeft!... Zij fchuwt een plaats met bloed,door fatans hand, getekend !....

Waar wrevle trotsch of haat verwoed de vierfchaar fpant, Geen fchets des helfchcn raads is voor een Maagd berekent,

Het bevend dichtpenceel ontvald mijn tedre hand! Ik volg alleen de Groot, belaagd — getergd — gelasterd —i

Maar groot, zelfs in het diepst van zijn vernedering! Nooit van de fiere moed des Bataviers verbasterd.'

De Gróót! hoe treft me uw deugd , verheven ftervcling!

De

Sluiten